Skip to Main Content
 
 
 

Onderwijskwalificatie

Bachelor of Arts in de godgeleerdheid en de godsdienstwetenschappen

 

Globaal

Onderwijskwalificatie

Bachelor of Arts in de godgeleerdheid en de godsdienstwetenschappen

Situering

  • Codex hoger onderwijs: niveau academische bachelor
  • Vlaamse kwalificatiestructuur: niveau 6
  • Europese Hogeronderwijsruimte (Dublin-descriptoren): niveau 1ste cyclus
  • Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren: niveau 7
  • Studiegebied(en): Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht

Inhoud

De onderwijskwalificatie omvat de domeinspecifieke leerresultaten zoals gevalideerd door de NVAO op 15/04/2013 en daar gekend onder referentie DL46.

De domeinspecifieke leerresultaten zijn:

In onderstaande leerresultaten moet ‘theologie’ als verstaan worden als ‘christelijke theologie’.

1.

Kennis van en inzicht hebben in de theologie in haar onderscheiden subdisciplines (bijbelwetenschap, geschiedenis van kerk en theologie, systematische theologie, theologische ethiek, praktische en pastoraaltheologie).

2.

Kennis van en inzicht hebben in de basisbegrippen en -methodes van de theologie in haar onderscheiden methodologische invalshoeken (de systematisch-hermeneutische invalshoek; de historisch-hermeneutische invalshoek en de praktisch-hermeneutische invalshoek).

3.

Kennis van en inzicht hebben in de wereldreligies en in de basisbegrippen - en methodes van de godsdienstwetenschappen.

4.

Een basiskennis bezitten van inzichten en -methodes van relevante wetenschappen voor de theologie en de religiestudies.

5.

Kennis van en inzicht hebben in de complexiteit van de multiculturele en multireligieuze samenleving. Inzicht en vaardigheden bezitten met betrekking tot de interreligieuze en interlevensbeschouwelijke dialoog.

6.

De voortdurende wisselwerking tussen Bijbel, traditie, theologie, geloof, kerk, cultuur en maatschappij inzien en het belang ervan kunnen verwoorden.

7.

Op begeleid-zelfstandige wijze relevante onderwerpen, thema’s, problemen, vragen en uitspraken analyseren, in een ruimer verband van kerk en samenleving kunnen plaatsen, kritisch beoordelen, erover communiceren en reflecteren met betrekking tot zichzelf.

8.

Primaire en secundaire literatuur bij voorkeur in originele talen lezen en (onder begeleiding) kunnen verwerken.

9.

Op begeleid-zelfstandige wijze een onderzoeksvraag kunnen formuleren, kritisch onderzoek verrichten en dat weer geven in een tekst van beperkte omvang.

10.

Een wetenschappelijk verantwoorde onderzoekshouding bezitten.

11.

Zelfstandig en in groep kunnen werken. Een verantwoordelijke rol kunnen opnemen ten aanzien van anderen en de te bekomen resultaten.