|
1.
|
Kennis hebben van en inzicht hebben in de criminologische en strafrechtelijke referentiekaders en in de rol van de diverse actoren binnen de strafrechtsbedeling.
|
|
2.
|
Kennis hebben van en inzicht hebben in de nationale en Europese context relevant voor de criminologie en de strafrechtsbedeling.
|
|
3.
|
Basiskennis hebben van en inzicht hebben in de theorieƫn en het wetenschappelijk onderzoek relevant voor de wetenschappelijke benadering van criminologische feiten, fenomenen en de reacties daarop.
|
|
4.
|
De bronnen van de criminologische wetenschappen kennen, vinden, evalueren en op een wetenschappelijke-academische verantwoorde wijze aanwenden.
|
|
5.
|
Kennis hebben en toepassen van relevante kwantitatieve en kwalitatieve methoden en technieken van wetenschappelijk criminologisch onderzoek
|
|
6.
|
Zowel theoretisch als praktijkgericht kritisch analyseren van criminologische feiten, fenomenen en de reacties daarop op basis van een wetenschappelijke argumentatie.
|
|
7.
|
Op een wetenschappelijk-academisch verantwoorde wijze helder en gevat presenteren en rapporteren, zowel schriftelijk als mondeling, van een criminologisch relevante vraagstelling.
|
|
8.
|
Op het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar actief functioneren binnen een criminologisch relevant werkdomein.
|
|
9.
|
Als criminoloog integer handelen en respecteren van deontologische normen.
|
|
10.
|
Bewust zijn van het belang van permanente professionele en academische kennisontwikkeling binnen de eigen en aanverwante kennisgebieden
|