Skip to Main Content
 
 
 

Onderwijskwalificatie

Bachelor of Science in de biowetenschappen

 

Globaal

Onderwijskwalificatie

Bachelor of Science in de biowetenschappen

Situering

  • Codex hoger onderwijs: niveau academische bachelor
  • Vlaamse kwalificatiestructuur: niveau 6
  • Europese Hogeronderwijsruimte (Dublin-descriptoren): niveau 1ste cyclus
  • Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren: niveau 6
  • Studiegebied(en): Biotechniek
  • ISCED studiegebied: 0588 Interdisciplinary programmes involving natural sciences, mathematics and statistics

Inhoud

De onderwijskwalificatie omvat de domeinspecifieke leerresultaten zoals gevalideerd door de NVAO op 07/04/2014 en daar gekend onder referentie DL111.

De domeinspecifieke leerresultaten zijn:

Leerresultaten 6 tot 14 zijn in een eerste fase uitgeschreven op het algemene ‘familie’ niveau van de bachelor ‘ingenieur’. Leerresultaten 1-5 zijn in een tweede fase uitgeschreven als een verbijzondering van de algemene leerresultaten: zij zijn enkel van toepassing op de bacheloropleiding biowetenschappen en profileren de opleiding ten aanzien van andere opleidingen in het ingenieursdomein.

1.

Diepgaande en toepassingsgerichte kennis, inzicht en vaardigheden hebben met betrekking tot wiskunde, natuurkunde, statistiek, biowetenschappen en chemie, met het oog op ingenieurstoepassingen.

2.

Basiskennis hebben van economische principes, ondernemerschap en consumentengedrag.

3.

Toepassingsgerichte kennis, inzicht en vaardigheden hebben in de specifieke domeinen van de agro-productieketen en de omgeving.

4.

Kennis van en inzicht in (bio)technologische processen kunnen aanwenden in het uitvoeren van kwaliteitscontrole en onderzoek in de gerelateerde domeinen.

5.

Implementatiegericht en analytisch probleemoplossend denken, ontwerpen, ontwikkelen en creatief innoveren met betrekking tot milieu en natuur, plantaardige en dierlijke productie en/of de productie van voedingsmiddelen.

6.

Doelgericht wetenschappelijke en technische informatie opzoeken, evalueren en verwerken, en er correct naar refereren.

7.

Uitgaande van het verworven inzicht, onderzoek-, ontwerp- en oplossingsmethoden selecteren, adequaat toepassen en de resultaten ervan wetenschappelijk en doelmatig verwerken.

8.

Binnen een afgelijnd kader een probleemstelling formuleren en zelfstandig een ingenieursproject plannen en uitwerken, met aandacht voor de randvoorwaarden voor de technische realisatie ervan.

9.

Blijk geven van een onderzoeksattitude: nauwkeurigheid, kritische reflectie, wetenschappelijke en technische nieuwsgierigheid, verantwoording van gemaakte keuzes. 

10.

Blijk geven van een ingenieursattitude: aandacht voor planning, voor technische, , economische en maatschappelijke randvoorwaarden en voor bedrijfskundige implicaties, inschatting van risico’s en haalbaarheid van de voorgestelde benadering of oplossing, gerichtheid op resultaat en het bereiken van effectieve oplossingen, innovatief denken.

11.

Wetenschappelijke en discipline-eigen terminologie correct hanteren in de voor de opleiding relevante talen.

12.

Resultaten van technisch en wetenschappelijk werk zowel schriftelijk en mondeling als grafisch communiceren en presenteren aan de peergroep. 

13.

Functioneren als lid van een team in verschillende rollen en inzicht hebben in het eigen functioneren; medeverantwoordelijkheid opnemen voor het bepalen en behalen van de doelstellingen van het team

14.

Ethisch en maatschappelijk verantwoord reflecteren met aandacht voor technische, economische, humane en duurzaamheidsaspecten.