|
Leerresultaten 6 tot 14 zijn in een eerste fase uitgeschreven op het algemene ‘familie’ niveau van de bachelor ‘ingenieur’. Leerresultaten 1-5 zijn in een tweede fase uitgeschreven als een verbijzondering van de algemene leerresultaten: zij zijn enkel van toepassing op de bacheloropleiding biowetenschappen en profileren de opleiding ten aanzien van andere opleidingen in het ingenieursdomein.
|
|
1.
|
Diepgaande en toepassingsgerichte kennis, inzicht en vaardigheden hebben met betrekking tot wiskunde, natuurkunde, statistiek, biowetenschappen en chemie, met het oog op ingenieurstoepassingen.
|
|
2.
|
Basiskennis hebben van economische principes, ondernemerschap en consumentengedrag.
|
|
3.
|
Toepassingsgerichte kennis, inzicht en vaardigheden hebben in de specifieke domeinen van de agro-productieketen en de omgeving.
|
|
4.
|
Kennis van en inzicht in (bio)technologische processen kunnen aanwenden in het uitvoeren van kwaliteitscontrole en onderzoek in de gerelateerde domeinen.
|
|
5.
|
Implementatiegericht en analytisch probleemoplossend denken, ontwerpen, ontwikkelen en creatief innoveren met betrekking tot milieu en natuur, plantaardige en dierlijke productie en/of de productie van voedingsmiddelen.
|
|
6.
|
Doelgericht wetenschappelijke en technische informatie opzoeken, evalueren en verwerken, en er correct naar refereren.
|
|
7.
|
Uitgaande van het verworven inzicht, onderzoek-, ontwerp- en oplossingsmethoden selecteren, adequaat toepassen en de resultaten ervan wetenschappelijk en doelmatig verwerken.
|
|
8.
|
Binnen een afgelijnd kader een probleemstelling formuleren en zelfstandig een ingenieursproject plannen en uitwerken, met aandacht voor de randvoorwaarden voor de technische realisatie ervan.
|
|
9.
|
Blijk geven van een onderzoeksattitude: nauwkeurigheid, kritische reflectie, wetenschappelijke en technische nieuwsgierigheid, verantwoording van gemaakte keuzes.
|
|
10.
|
Blijk geven van een ingenieursattitude: aandacht voor planning, voor technische, , economische en maatschappelijke randvoorwaarden en voor bedrijfskundige implicaties, inschatting van risico’s en haalbaarheid van de voorgestelde benadering of oplossing, gerichtheid op resultaat en het bereiken van effectieve oplossingen, innovatief denken.
|
|
11.
|
Wetenschappelijke en discipline-eigen terminologie correct hanteren in de voor de opleiding relevante talen.
|
|
12.
|
Resultaten van technisch en wetenschappelijk werk zowel schriftelijk en mondeling als grafisch communiceren en presenteren aan de peergroep.
|
|
13.
|
Functioneren als lid van een team in verschillende rollen en inzicht hebben in het eigen functioneren; medeverantwoordelijkheid opnemen voor het bepalen en behalen van de doelstellingen van het team
|
|
14.
|
Ethisch en maatschappelijk verantwoord reflecteren met aandacht voor technische, economische, humane en duurzaamheidsaspecten.
|