|
1.
|
Basiskennis hebben van en inzicht hebben in de grondslagen, de beginselen, de terminologie en structuren van het Belgische, Europese en internationale recht.
|
|
2.
|
Basiskennis hebben van en inzicht hebben in historische, filosofische, sociale, economische en politieke factoren die het recht beïnvloeden en vorm geven in de samenleving.
|
|
3.
|
Kritisch reflecteren over het recht en over de relatie tussen het recht en de samenleving.
|
|
4.
|
Bewust zijn van het dynamische karakter van het recht.
|
|
5.
|
Basiskennis hebben van concepten van bepaalde andere rechtssystemen.
|
|
6.
|
De bronnen van het recht kennen, vinden, interpreteren en op een academisch- wetenschappelijk verantwoorde wijze aanwenden.
|
|
7.
|
Basismethoden van juridisch onderzoek kennen en beheersen.
|
|
8.
|
Zelfstandig feiten kwalificeren en de relevante rechtsregels toepassen.
|
|
9.
|
Een logische en correcte juridische argumentatie opbouwen, begrijpelijk verwoorden en verdedigen.
|
|
10.
|
Een analyse en synthese van casussen en juridische vraagstukken op academisch- wetenschappelijk verantwoorde wijze helder en gevat presenteren en rapporteren, zowel schriftelijk als mondeling, aan vakgenoten en niet- vakgenoten.
|