Skip to Main Content
 
 
 

Onderwijskwalificatie

Bachelor in de interdisciplinaire ouderenzorg

 

Globaal

Onderwijskwalificatie

Bachelor in de interdisciplinaire ouderenzorg

Situering

  • Codex hoger onderwijs: niveau banaba
  • Vlaamse kwalificatiestructuur: niveau 6
  • Europese Hogeronderwijsruimte (Dublin-descriptoren): niveau 1ste cyclus
  • Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren: niveau 6
  • Studiegebied(en): Gezondheidszorg
  • ISCED studiegebied: 0913 Nursing and midwifery

Inhoud

De onderwijskwalificatie omvat de domeinspecifieke leerresultaten zoals gevalideerd door de NVAO op 14/01/2013 en daar gekend onder referentie DL33.

De domeinspecifieke leerresultaten zijn:

1.

Gerichte (preventieve) initiatieven nemen en gezondheidspromotie toepassen op cliënt- en groepsniveau zowel in pedagogische als in geriatrische context.

2.

In complexe en gespecialiseerde zorgsituaties evidence-based cliëntgerichte fysieke, psychosociale en spirituele zorg op maat verlenen gericht op het bevorderen van het holistische welbevinden van de oudere cliënt.

3.

Ouderen(zorg)projecten organiseren en coördineren.

4.

De behoefte met betrekking tot het inschakelen van zorgverleners, vrijwilligers en middelen detecteren en op deskundige en gestructureerde wijze het integrale geriatrische zorgproces coördineren zowel intra-, extra- als transmuraal.

5.

Professionele relaties opbouwen en de werking van het interdisciplinair team coördineren.

6.

Proactief inspelen op actuele ontwikkelingen en trends in de ouderenzorg en deze vertalen naar innovatieve acties.

7.

Kwaliteitsprocessen bewaken en sturen met als doel de geriatrische zorgverlening te optimaliseren.

8.

Individuen, het interdisciplinair team of andere actoren coachen in functie van een optimale interdisciplinaire samenwerking in de ouderenzorg.

9.

Een visie op ouderenzorg ontwikkelen op basis van evidence-based handelen en actuele wetenschappelijke bevindingen. 

10.

Continu op het eigen handelen reflecteren, zijn (leer)behoeften analyseren en deze autonoom vertalen in initiatieven tot professionalisering en evenwichtig functioneren.

11.

In zijn professioneel handelen rekening houden met verschillen tussen de eigen waarden en normen en deze van de oudere cliënt.