|
1.
|
Kennis van en inzicht hebben in de medische (m.i.v. anatomie, fysiologie) exacte, maatschappelijke, didactische, (ortho-) pedagogische, psychologische, ethische, juridische en sociaal-communicatieve wetenschappen verwant met de logopedische en audiologische (m.i.v. vestibulologie) wetenschappen.
|
|
2.
|
Inzicht hebben in de productie- en perceptieprocessen achter intermenselijke communicatie in haar verschillende modaliteiten.
|
|
3.
|
Grondige kennis van en inzicht hebben in de normale ontwikkeling van spraak, taal (productie en perceptie) en gehoor (perifeer en centraal) van kind tot volwassene.
|
|
4.
|
Goede spraak-, taal- en schrijfvaardigheden bezitten.
|
|
5.
|
Doorgedreven kennis van en inzicht hebben in de logopedische (m.i.v. leerstoornissen) en audiologische stoornissen, met name in de etiologie, pathogenese en symptomatologie.
|
|
6.
|
Een voorstel tot preventie, diagnose en behandeling van logopedische en audiologische stoornissen formuleren, uitvoeren en rapporteren.
|
|
7.
|
Kennis hebben van de kwalitatieve en kwantitatieve methoden van wetenschappelijk onderzoek binnen het logopedisch en/of audiologisch gebied.
|
|
8.
|
Een eenvoudig logopedisch en audiologisch probleem vatten in een relevante vraagstelling, een onderzoeksplan opzetten en uitvoeren (literatuurreview, opstellen doelstelling, methodologie, interpreteren van onderzoeksresultaten, opbouw discussie) en er over rapporteren.
|
|
9.
|
Autonoom handelen in een logopedische en audiologische context en hier ook medeverantwoordelijkheid voor dragen.
|
|
10.
|
Inzicht hebben in het ethisch en deontologisch functioneren t.a.v. patiënten en collega’s in een multidisciplinair kader en t.a.v. het beroep en de maatschappij.
|