Skip to Main Content
 
 
 

Onderwijskwalificatie

Bachelor in de integrale veiligheid

 

Globaal

Onderwijskwalificatie

Bachelor in de integrale veiligheid

Situering

  • Codex hoger onderwijs: niveau professionele bachelor
  • Vlaamse kwalificatiestructuur: niveau 6
  • Europese Hogeronderwijsruimte (Dublin-descriptoren): niveau 1ste cyclus
  • Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren: niveau 6
  • Studiegebied(en): Industriële wetenschappen en technologie
  • ISCED studiegebied: 1022 Occupational health and safety

Inhoud

De onderwijskwalificatie omvat de domeinspecifieke leerresultaten zoals gevalideerd door de NVAO op 05/06/2012 en daar gekend onder referentie DL19.

De domeinspecifieke leerresultaten zijn:

1.

Deelnemen aan het ontwikkelen, plannen en uitvoeren van toegepast onderzoek met betrekking tot veiligheid, milieubeleid en technologie, vertrekkend van een afgebakende opdracht (risicosituatie) en hierover verslag uitbrengen aan vakgenoten en leken (conceptueel denken).

2.

Autonoom een veiligheidsrisico formuleren en bestaand onderzoeksmateriaal analyseren en gebruiken om naar aanleiding van dat risico operationele beslissingen voor te stellen (analyse). 

3.

Zelfstandig een dynamisch risicobeheersysteem opstellen en implementeren op basis van onderzoeksresultaten. De implementatie omvat het uitwerken van een strategie en het efficiënt communiceren van de genomen beslissingen. De impact en de concrete uitvoering van het veiligheids- en preventiebeleid evalueren (veiligheidsmanagement). 

4.

Zich correct uitdrukken in gepast taalgebruik, zowel tegenover beleidsverantwoordelijken als tegenover operationele medewerkers. Vlot en efficiënt communiceren, zowel mondeling als schriftelijk (communicatie). 

5.

Veiligheids- en milieuprojecten efficiënt organiseren en uitwerken. Externe toeleveranciers en medewerkers correct informeren en aansturen. Veiligheids- en milieuprojecten accuraat en met de nodige zorg administratief en budgettair beheren (projectmanagement). 

6.

Professionele interne en externe contacten opbouwen en onderhouden (netwerking).

7.

Efficiënt functioneren als lid van een dynamisch team en zicht hebben op de eigen rol binnen organisaties en in een brede maatschappelijke context (teamplayer).

8.

Op vlak van veiligheid en milieu de basiskennis en –technieken toepassen en de geschikte materialen aanwenden (operationaliseren).

9.

Maatschappelijke en juridische implicaties van het gevoerde veiligheids- en milieubeleid interpreteren en uitdragen, en deontologisch en ethisch verantwoord handelen (voorbeeldfunctie).

10.

De eigen leerbehoeften en de leerbehoeften van medewerkers analyseren en op basi daarvan initiatieven uitwerken om zichzelf en de medewerkers professioneel te ontwikkelen (levenslang leren). 

11.

Actief bijdragen aan de kwaliteitszorg van de organisatie door veiligheids- en milieuproblemen strikt en nauwkeurig volgens de geldende regels en met een kritische ingesteldheid op te lossen (kwaliteitszorg). 

12.

Het overzicht bewaren bij incidenten en in staat zijn om op stressgevoelige momenten volgens de vastgestelde procedures blijvend adequate beslissingen te nemen. Verantwoordelijkheid opnemen om het goede operationele verloop van de afhandeling te bewaken (stressbestendigheid).